Is er licht?
Onlicht?
Kijk je?
Je kijkt.
Zoekt.
Je ligt op het levenloze. Op je rug. Gebakerd tussen lakens. Maar dat weet je niet.
Je bent bewegingloos, maar dat weet je niet. Wat je niet beweegt ervaar je niet. Bestaat niet.
Peilloze leemte gaapt onder je nek. Loden zwaarte beveelt je bewegingloze hoofd.
Je bent alleen een loden hoofd.
Iets bonkt pijnlijk in je borst, dreunt in het binnenste van je oren.
Grommen zwelt aan, je schrikt en verstijfd, luider, nog meer pijn, ondraaglijk.
Je slikt.
Niets in je komt tot gillen.
Alleen.
In angst.
In peilloze verlatenheid.
Je neus ruikt vreemdheid, ongekendheid.
Alles is even ongekend.
Aldoor.
Een lichtzuil snijdt als een vlijmscherp mes de ruimte in twee delen.
De grom vervaagd, verstomt, verdampt.
Alles in je is even gevoelig.
Even alert.
Even behoeftig.
Verdrietig.
Bang.
Je let op.
Gespannen als een snaar, constant op de hoogste spanning .
Is er beweging in je borst?
Je weet het niet. Alles is stil.
Geen warm. Geen zacht. Geen geur.
Wanhoop galmt nu, als een gong, door je bevende ziel.
Je slikt.
Niets.
Niets in je mond.
Niets in je maag.
Niets in je hart.
Je weet niets.
Je bent niets.
Niets, dat valt, dat aan het vallen is, blijvend aan het vallen is.
Niemand komt.
Verlaten.
Je bent verlaten.
Waarom?
Niemand komt voor jou.
Je lijdt.
Je smacht.
Naar warm. Naar veilig. Naar weten.
Doodsangst in je keel, je borst, je bloed.
Je aarzelende mond nu, zoekt. Voorzichtig strek je je tong.
Plotseling is alles anders.
Je reikt je gehoor naar het verre zingen.
“Hier!” Roepen je wijdopengesperde ogen.
“Hier! Haal me op! Beweeg mijn lichaam! Draag mijn hoofd!”
Je ogen branden en drijven in warm water, dat welt en bijt in je zachte hongerige huid.
Het zingen nadert, voller, veiliger, het licht is plotseling overal.
Je knijpt je ogen, dan is het even donker, je ontspant, dan weer dat licht.
Zachte warmte en kracht neemt je op.
Je reist door de lucht.
Nu ruik je haar ook.
Waar ben je nu?
Waar was ze nou?
De pijn in je borst is onverdraaglijk.
Ze is er, jij bent er, jullie zijn.
De schok flapt je longen open. Het zachte, warme, zoete, rust op je wang.
Het zingen draagt je hele hoofd, omwikkelt je schouders, je rug, je billen, steunt je buik, je borst, je benen, met het grenzeloos veilige warme.
Alles ruikt goed nu.
Iets kriebelt je mondhoek, je zoekt nieuwsgierig, hongerig plotseling.
Gretig spreid je je hele mond.
De rode loper van je tong rolt over je onderlip naar buiten, vangt het zachte zingen, zuigt je mond vol van haar. De kriebel tikt bovenaan je zachte verhemelte.
Alles is luchtledig nu.
Je slikt en daar is het: je hele mond, keel, borst en buik, stromen vol met zachte, zoete liefde.
Je slikt en sluit en opent en sluit je kaken, en drinkt vol overgave van haar warme huid.
Je slikt en verzacht, slikt en vertrouwt, slikt en verzaligt je gezongen bestaan.
Je borst trommelt zijn enige opdracht:
Leven,
Leven,
Leven,
Leven…Discussion about this post
No posts

