“O mijn god,” dacht David, “nu groeit er ook al haar omheen!” Hij stond in zijn kamer, voor de lange spiegel die op zijn dichte deur hing. Zijn hockeystick stond rechtop in de paraplubak, die uit het huis van oma kwam. Er was een jachttafereel op geschilderd. Opgevouwen op het bed, onder het raam, lag een hagelwit broekje en zijn bordeauxrode hockeyshirt. “Schaerweijde” stond er in grote gouden letters op. David haatte hockey. Hij haatte de jongens uit zijn team. Hij haatte de meisjes trouwens ook. Hij haatte zijn trainer, die hem aansprak bij zijn achternaam en die de kunst, of het spraakgebrek verstond, om te schreeuwen met een aardappel in zijn keel. Het enige waar David van hield was de tock, die hij onder zijn broekje schoof en daar aan zijn huid vast tapete, strak, zodat er niets van te zien was en hij niet herinnerd hoefde te worden aan dat vreemde lichaamsdeel, dat nooit bij hem gehoord had, dat als een uitstulping per vergissing naar buiten hing, dat kleefde aan je huid en waarvan je een beetje wijdbeens ging lopen. Op de basisschool had David nog, met behulp van zijn grote verbeeldingskracht en zijn openhartige karakter, kunnen meespelen met de andere kinderen: touwtje springen kon hij goed, radslagen maken en hij maakte vlechten met vier en met vijf strengen, in de haren van zijn vriendinnetjes en van hemzelf, zonder ooit in de war te raken. Op een dinsdag in het speelkwartier, had hij een keer drie strengen van zijn eigen haar, met twee strengen van het haar van Hillie vervlochten. Ze zaten als een Siamese tweeling aan elkaar vast en waren om twaalf uur naar het huis van Hillie gelopen, om daar brood te eten en - voorzichtig - allebei een beker melk te drinken. Het was bijna goed gegaan, tot Hillie zich bij de laatste slok verslikte en de rest van de melk in haar t-shirt goot. Toen moet de vlecht toch los, want anders kon Hillie geen droog t-shirt aan; ze hadden het geprobeerd. In spel kon eigenlijk alles. Op zijn kamer hadden ze dikwijls moedertje en moedertje gespeeld en zijn beer was het kind, dat zijn maillot onder kakte en dan voor straf op zijn blote pluchen billen kreeg. Maar nu zat hij op de middelbare. Een stad van een school, met wel tweeduizend gevoelloze kinderen erop en er waren aparte kleedkamers met gym. David had altijd graag en hoog gezongen. Hij zong tweestemmig met oma “In ’t groene dal, in ’t stille dal” en oma zong altijd de lage stem. Hij dacht dat oma hem wel begrepen had. “Dat staat je schattig, lieverd.” Had oma eens gezegd, toen ze hem de lange, frambozenrode duster omhing, terwijl ze hem uit bad kwam halen. “Lieverd,” zei oma. Ze noemde hem lieverd. Nooit David. De laatste keer met Kerst had ze hem zo’n rozerode badjas cadeau gedaan, in zijn eigen maat. “Wat is dat in godsnaam voor flauwekul!” Had zijn vader gebruld. “Een aardbeienjurk? Hij is toch geen mietje?” “Het is toch maar een badjas, Laurent…” had zijn moeder nog gesust. Maar zijn vader had de badjas met papier en al van zijn schoot gegrist en woedend naar oma gekeken, die zwijgend terugkeek, met haar zachte gezicht. “Mijn zoon is géén mietje.” Had zijn vader tussen opeengeklemde tanden naar oma gegromd en David had tranen in zijn ogen zien staan. Toen was hij met grote passen naar de tuin gebeend; hij had het cadeau in de vuilnisbak gesmeten en het met zijn schoen naar de bodem getrapt.
Discussion about this post
No posts

