“Maar wat doet het met je hart?” Vroeg ze. “Hier, van binnen?” Deze verduidelijking deed het voorkomen alsof mijn hart tot dan toe eigenlijk op de verkeerde plek, juist buiten de bekooiing van mijn borstkas, in een soort luchtledige, voor mij uit had gebonsd. Terwijl deze gewaarwording nog op me inwerkte en ik – om een antwoord te formuleren op haar vraag – me inspande om de woorden bij elkaar te rapen, die zo’n buitenboord beleving inzichtelijk konden maken voor iemand die het niet zelf betrof, vroeg ze alweer verder. “Hier, van binnen!” herhaalde ze op een volume, alsof ik haar de eerste keer niet goed verstaan had. Was het mijn eigen verbeelding, of lag er een bestraffende toon in die woorden, alsof ze al geweten had wat zich bij me afspeelde, en er korte metten mee zou maken? Ze keek me indringend aan, met haar linker oog. Het rechter gluurde afwezig naar de deur, alsof het zich kapot verveelde en hoopte dat er geklopt zou worden door iemand van de beveiliging, die een brandoefening afkondigde en ons allemaal kwam sommeren, om binnen vijf minuten beneden op de stoep te staan. “Jaaaaaaaaaa…”zei ze, bezwerend langzaam, “Wàt gebeurt daar?” Ondertussen had ze haar linkerhand op haar borst gelegd en wreef in cirkelvormige bewegingen, met de klok mee, over haar blouse, waarop grote verwassen bloemen in elkaar overliepen, een beetje alsof iemand ze met ecolineverf geschilderd had en daarna iemand anders een beker water omgestoten had, eroverheen. Mijn blik bleef haken aan de grote plastic ring, die om haar middelvinger bungelde, van epoxy zo te zien, waarin een soort laagjes waren aangebracht – ook hier - van diep oranje tot helder geel aan de bovenkant. Het gewicht van de laagjes helde over naar opzij, alsof het steun zocht bij de ringvinger. Toen zag ik het ineens en het was eruit voor ik er erg in had. “Daar zit een gat!” Riep ik. ”Een groot zwart gat.” “Een groot zwart gat…,” beaamde ze zalvend, alsof ze het steeds geweten had. “Dat moet pijnlijk zijn…” Ze fluisterde het haast en hield haar hoofd een beetje scheef. “Nee, bij u, “ lichtte ik toe: ”in uw blouse.” Het rechteroog keek naar de klok. Die tikte onverstoorbaar vijf seconden weg. “Het spijt me,” zei ze, “maar het is tijd. Ik zie u weer volgende week.”
Discussion about this post
No posts

