Het kwam door die lange jas. Veel te netjes. Dat had hij nooit gehad. Integendeel. Doodgravers, zei hij altijd, die dragen lange jassen. En doktoren. Maar wie zit daarop te wachten? Je kunt nooit weten wat er allemaal onder weggestoken wordt. Of weggehangen natuurlijk. Voor een lange jas in het park is het helemáál oppassen geblazen. Lange jassen. Hij had er altijd een hekel aan gehad. Het tweede dat opviel was dat koffertje. Het adjectief “bespottelijk” drong zich op. Het was ooit rood geweest en nu beplakt met een oneindigheid aan witte of vergeelde ronde stickers; in allerlei formaten en kris-kras over elkaar. Ik kneep mijn ogen een beetje toe. Zo was het alsof ik door een klein, rechthoekig raampje, een avondrode sterrenhemel inkeek. Als je langer achtereen kijkt, ontwaar je ook diepte in het duisterste duister. Sommige leken groter en daardoor dichterbij, maar dat hoefde helemaal niet waar te zijn. En hoe nabij iets ook voelde, over de werkelijke afstand zei dat niets. Al die tijd had hij mij nog niet opgemerkt natuurlijk. Door mijn wimpers gleed een heel universum, geruisloos, aan mij voorbij. Voortgetrokken door Mars, op vier van die kleine rotwieltjes.
Discussion about this post
No posts

