Als warmte energie was en beweging - beweging van de meest onwaarneembare deeltjes in onszelf en om ons heen - wat kon kou dan anders zijn dan een stilvallen; afkoeling anders dan een vertraging, tot bewegingloosheid komen van wat eerder nog gestroomd had, gebonsd, getrild, gezinderd? Door de kier in het hout viel gradueel minder licht. De kou liet zich zien noch horen, proeven noch voelen, denken niet eens. Althans niet door hem. De reeds lang vertraagde adem, het ruisen van het bloed, alles was tot stilstand gekomen, tot zwijgen. Buiten op het kale hout rustten onzichtbare watermoleculen. In aangroeiende witte ijsharen koloniseerden ze de ruwe celwanden van de planken, vonkten op als glinsteringen tussen de korrels van zwarte aarde aan de wanden van de kuil en spatten als vonkelnevels op van de paden en van de zwarte stammen van versteende bomen, waarin ook de adem van de wind was gestokt. Koud was de stolling van het bewegingloze bloed, dat bezonk in de dalen van al zijn vaten. Stoffelijke delen als klei onderop; het heldere water daarboven - waaruit al wat leeft en ook al wat gestorven is, bestaat – hardde uit in het indalen van die winternacht. De ijsmoleculen explodeerden, als bliksemschichten, koude sterren en slingerden krakende tentakels over ieder oppervlak. Eensgezindheid, kadaverdiscipline, heerst bij graden onder nul: niets ontziende vorst. De zoon verrees, nog in het aardedonker, de geitenharen benige voeten gestoken in de wankele klompen, schuivend over de deel, tot bij de pikhaak. Zijn magere vingers grepen de lamp; een zwavelkop schampte langs de zool, brandde op, likte de katoenen lont en stappend in zijn vaders sporen, ging hij, langs slapende kippen, voorbij de stallen, tot aan het vastgeklonken riet. Hol klopte de echo van de klompen over het zwarte, zwarte ijs, tot aan de meerpaal. Daar beukte de pikhaak door het maagdelijk vlies, in het gat van de vorige ochtenden. De pijlstok viel door zijn vingers en toen hij de bodem vond, bond de zoon zijn zakdoek om het hout, waar het boven het ijsvlak stak. De inkerving van de vorige nacht – de laatste van zijn vaders hand - stond drie vingers onder die van nu. Diep genoeg. Dik genoeg. Hard genoeg. It giet oan.
Discussion about this post
No posts

