Willemijn was het kleinste meisje in groep 5 bij Veer. Ze was zo klein dat de juf haar dikwijls als vermist registreerde, bij het tellen van de kinderen, als ze de klas binnenkwamen of weer uitgingen. Gelukkig ontdekten ze dat Willemijn een stem had. En wat voor één. "Willemijn, ben jij ook weer binnen?" Informeerde de juf dikwijls na het speelkwartier. Dan kropen de kinderen weg onder hun tafeltjes, drukten hun vingers diep in hun oren en wachtten sidderend af, tot ze Willemijn "JAAHAAAAAAAAAAA," hoorden galmen. "Ah. Mooi zo." zei dan de juf en ze ging zitten aan haar bureau, alsof er niks gebeurd was. "Doe allemaal maar je taalboek open op bladzijde 3." Dan kwamen de kinderen weer onder hun tafeltjes vandaan, gingen gehoorzaam op hun stoelen zitten, raapten van hun tafeltjes gewaaide papieren op van de grond, een paar kinderen zetten een paar omgevallen planten weer terug in de vensterbank, iedereen keek weer over Willemijn heen naar het bord en de les begon. Wat was het nou? In het kleine lijfje van Willemijn zat ergens een scheepshoorn. Zo'n heel grote, waarmee oceaanstomers uitgerust worden, zodat ze alle kleine en wendbaarder schepen, en ook de grote, in de mist kunnen waarschuwen dat ze in de buurt zijn en je er niet per ongeluk tegenop vaart. Zo'n scheepshoorn had de moeder van Willemijn - die zelf alleen maar fluisterde, zodat behalve Willemijn niemand op het schoolplein het hoorde wanneer ze eens iets zei - een keer op een rommelmarkt op de kop getikt en 's morgens aan het ontbijt bij Willemijn door de yoghurt geroerd. "Je moet het eerst even proeven, lieverd," fluisterde de moeder van Willemijn, toen ze het argwanende gezicht van haar dochter boven het schaaltje zag. Toen draaide ze zich weer om naar het aanrecht om zo onopvallend mogelijk een kopje thee voor hen in te schenken, en Willemijn nam een hap. "Goede God in de Hoge Hemel, laat haar gebit het houden," bad de moeder van Willemijn in stilte boven het aanrecht, terwijl ze in ieder kopje een schepje bijenhoning door de thee roerde. Achter haar rug knarste het gebit van Willemijn op de scheepshoorn en hoorde haar moeder hoe haar dochter - die niet zozeer met gehoorzaamheid, alswel met een grote nieuwsgierigheid was behept - de ene na de andere hap naar binnen lepelde. Bij het laatste uitschrapen van het schaaltje en het aflikken van haar lippen, draaide haar moeder zich eindelijk weer naar de ontbijttafel om, glimlachte teder, zette de thee voor hen neer en fluisterde "Lekker?" Willemijn dacht even na over een antwoord, voelde toen een boer opkomen en opende haar mond. De moeder van Willemijn kon nog net haar handen om de kopjes klemmen, waarbinnen de thee in schuimende golven tegen het porselein klotste. De muren van de woonkamer, de glazen servieskast, de ruiten: alles bulderde, dreunde, rammelde en rinkelde, alsof er van voor naar achter een orkaan doorheen geblazen werd. Buiten op straat loeiden de alarmen van geparkeerde auto's en de mensen uit de buurt hingen uit de ramen en speurden in de richting van de Amstel, om te zien of er misschien een cruise, zo'n varende flat, door de Berlagebrug heen brak. Maar ze zagen niks en dus gingen ze weer naar binnen en sloten de ramen. "Kom schat, drink je thee op," fluisterde de moeder van Willemijn, "het is kwart over acht, we moeten zo naar school." Willemijn dronk haar thee, glipte van de stoel en zei met haar gewone stem: "Mag ik morgen weer gewoon een beschuitje?" Willemijn gebruikte haar scheepshoorn heus niet ieder moment. Maar als ze weer eens totaal over het hoofd gezien werd, of door de juf gezocht, terwijl ze vlak voor haar neus stond, dan vond ze het wel handig. In groep 5 en 6 hadden de kinderen "schooltuinen". Die lagen achter de dijk naast de Weespertrekvaart, twintig minuten fietsen vanaf school. Ieder kind had een tuintje van 80 bij 1.40, zoiets, en in het vroege voorjaar hadden al die kindervingers daar holletjes in de aarde geboord en die holletjes opgevuld met het één of andere zaad. Worteltjes, radijzen, tomaat, prei en ook ui. Het tuintje van Willemijn was het buurtuintje van Veer, zo kwam het. Vlak voor of vlak na de zomervakantie, wie zal het zeggen, waren de wekelijkse uitjes naar de schooltuinen het leukst. Dan werd er geoogst wat al die groene vingertjes gezaaid hadden. Veer had een prachtige bos wortelen - waarvan er één twee benen had onder één bosje loof - radijsjes, een bloemkool, een aardappel of drie en ook nog een paar bietjes. In de tuin van Willemijn stond de tuinierster met twee vastbesloten knuistjes aan het groene haar te sjorren van wat een ui moest zijn. Aan weerszijden van het haar, stonden de hakken van haar rode tuinlaarsjes. Willemijn boog de knieën en strekte haar armen, hing haar lijfje naar achteren en gooide haar blonde hoofd in haar nek, en met alle wilskracht die ze in zich had, zette ze zich af tegen de meest weerbarstige vierkante meter klei op aarde, kreunde dreigend en trok uit alle macht aan de groene strengen. De aarde bolde een klein beetje, een kloddertje droge klei rolde naar het tuintje van Veer en verder gebeurde er niets. Veer zette zijn tasje met oogst op de grond, stapte in de voetsporen van Willemijn, sloeg zijn armpjes om haar middel en trok mee. "Een, twee!" Riep hij, en twee gezworen kinderlijfjes hingen aan de haren van de onderaardse ui en trapten de aardbol van zich af alsof het een boze droom was die hen te grazen kwam nemen. Een zanderig kuchje klonk vanwaar de paardenstaart van de ui de grond uit stak. Twee korreltjes aarde rolden verlegen opzij. Maar Willemijn had gegromd en als Willemijn gromde, liep het gevaar dat de scheepshoorn af zou gaan, en dus haastten zich de laarsjes van de andere schooltuiniers naar het tuintje van Willemijn, zetten in een eensgezinde rij de hakjes in het zand en sloegen armpjes om elkaars middel, en toen de laatste laarsjes in de rij stonden en alle knieën zich tegelijk bogen - als een bij het korps Mariniers getrainde duizendpoot - klonk het uit honderd kindermonden nog eens: "één, twee..." Willemijn kreunde, en kreeg een hoofd zo rood als een bietje van Veer, dat al spoedig afgaf op de gezichten van de hoofden achter haar. De staart van de ui stond recht overeind alsof er ijzerdraad in stak, de tuinkabouters puften en steunden, wolkjes stoom dampten uit neusgaten, de aarde knerpte verveeld, leek even op te bollen en sloot zich dan weer hermetisch rond de ui, pesterig en van de eigen onoverwinnelijkheid overtuigd, als een veel groter kind dat een speeltje van een ander heeft afgepakt, waar het zelf al te oud voor is, maar dat het uit pure onhebbelijkheid niet terug wil geven. Maar toen, terwijl de rij achter Willemijn al uitgeput op de grond was gezegen en Veer nog als enige om haar middel hing, blies Willemijn de scheepshoorn en liet de aarde geschrokken de ui los. ".....DRIE!" Loeide Willemijn en de aardkorst barste open tussen hun laarsjes en gaf met zo'n perswee geboorte aan een ui ter grote van een stevig opgepompte voetbal, dat hij in een parabool over de hoofden van de op hun billen achterover tuimelende Willemijn en Veer naar achteren vloog, en toen met een uitgeputte zucht op het zand belandde, middenin het tuintje van Zoë, die een half uur geleden al met haar oogst in een plastic tas, achterop de fiets van haar moeder naar huis gereden was. Willemijn en Veer bogen zich in ongeloof over de reuze-ui, persten hem toen in een canvas boodschappen tas, verdeelden de hengsels tussen hen beiden en sleurden hem achter zich aan naar het hek, waar de moeder van Willemijn fluisterend voorstelde om die avond Franse uiensoep te maken, met zo'n stokbroodje met gesmolten Gruyère, dat als een bootje in de bouillon dobbert. Veer had nog even over zijn schouder gekeken en in het tuintje van Willemijn een krater zien liggen, waar je je in het geval van een veldslag bij een plotseling uitgebroken burgeroorlog, gemakkelijk met de hele klas in zou kunnen verschansen. De hoveniers van de schooltuinen schepten tien grote kruiwagens zo vol met aarde, dat het er in bergjes bovenuit stak, en reden in colonne achter elkaar over het paadje naar het gat, waar ooit het tuintje van Willemijn gelegen had. Voor de grap riepen ze schunnige woorden in de diepte en kiepten toen hun kruiwagens erin leeg, met een lichtzinnigheid alsof de minuten in het leven van een hovenier allemaal bestonden uit het opvullen van eendere kraters met eendere kruiwagens aarde. Wij aten die avond de bloemkool en de worteltjes, die overheerlijk waren. Die met de twee benen kreeg Veer. Hij smeerde met ketchup twee rode laarsjes aan de uiteinden en at ze op.
Discussion about this post
No posts

